Elke keer als ik weet dat mijn vaste collega’s er niet zijn, word ik ietwat zenuwachtig. Dan komt er dus een invalkracht.
Ken ik diegene al, dan is er geen probleem. Buiten dat ik dan in mijn eentje ‘de kar moet trekken’ op de groep, is het fijn dat er een bekende komt.
Komt er géén bekende, dan blijft de spanning bij mij eerst nog binnen de perken.
Hij of zij moet zelf vlak na binnenkomst ook nog acclimatiseren en het is mijn taak dan het één en ander te vertellen over de mensen met wie we die dag werken.
Naast de belangrijke en algemene dingen probeer ik dat zo lang mogelijk te doen. Ik vertel daarnaast daarom ook leuke anekdotes over de mensen op de groep. En dat doe ik niet alleen om de invalkracht zo een beetje een indruk te geven over hoe de mensen zijn en met elkaar en anderen omgaan.
Stiekem doe ik dat vooral om de aandacht van mezelf af te leiden. Om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk vragen over míj worden gesteld.
Over waar ik vandaan kom, hoe lang ik er al werk en zelfs of ik een gezin heb. Sommige vragen vind ik niet erg, anderen vind ik wat vervelender en heel veel vragen komen ook vaak niet.
Maar één van de vragen waarbij ik er vooral tegenop zie om antwoord te geven is de vraag over hoeveel dagen ik werk.
Natuurlijk snap ik dat de vraag gewoon wordt gesteld uit interesse en eigenlijk is het natuurlijk ook geen rare vraag.
Het is alleen zo dat ik me ongemakkelijk voel wanneer ik de vraag beantwoord. Want drie dagen voor iemand van mijn leeftijd, die houdt van haar werk, zonder eigen gezin, dieren en andere ‘belangrijke’ taken vindt de ander misschien maar weinig. En daarom misschien ook een beetje gek.
Daarnaast voelt het voor mij ook altijd enigszins of ik lieg als ik zeg dat ik ‘maar’ drie dagen werk.
Want natuurlijk ben ik die drie dagen óp mijn werk, maar het voelt niet of ik alleen díe dagen aan het werk ben.
Wanneer ik een dag thuis ben voel ik me aan het eind van de dag vaak ook erg moe en soms ook erg overprikkeld.
Want werk ik op mijn werk met en voor andere mensen, thuis voelt het alsof ik werk voor of aan mezelf.
Of voor de dwang en smetvrees. Of juist om me daartegen te verzetten.
Óp mijn werk probeer ik voor anderen goed te zorgen, thuis probeer ik dat voor mezelf.
Nu nog met hulp van mijn moeder, vanaf volgende maand (weer) met behulp van therapie.
Maar voordat het zover is, ga ik de komende drie weken proberen zo min mogelijk te werken en zoveel mogelijk te ‘ontprikkelen’.
Van mijn werk ben ik vrij en het schrijven/plaatsen van columns sla ik ook even over.
Nu maar hopen dat mijn dwang en smetvrees me niet zoveel aan het werk zetten….
Reactie plaatsen
Reacties