Vaak had ik er geen behoefte aan. Als ik bij mijn moeder was zag ik hoe anderen ermee omgingen en vond ik het prima
om zo nodig gebruik te maken van iets wat het verving. Dan was ik er daarna ook weer vanaf. Want vies vond ik het altijd wel een beetje.
Maar op sommige momenten, meestal in het weekend, smachtte ik ernaar.
Zodat ik niet steeds weer bijdroeg aan de afvalproductie en ik niet steeds weer op hoefde te staan.
Want ik voelde dan de warmte langs mijn gezicht glijden of kwam per ongeluk in aanraking met een glibberig goedje
waardoor het bijna leek of ik bloed aan mijn vingers had.
Dan keek ik naar mijn moeder om te zien of ze zag dat ik het nu óók nodig had.
Of misschien zelfs meer nodig had dan de anderen.
Omdat ik het jaren niet meer had gehad en me een beetje schaamde dat ik het nu opeens weer nodig dacht te hebben, hield ik mijn mond.
Tot ik vond dat ik er niet meer zonder kon. Ik vroeg het daarom toch maar en kreeg er één voor tijdelijk gebruik als ik bij mijn moeder was.
Dat ‘tijdelijk’ was wel een voorwaarde – van mij – want om hier dag in dag uit gebruik van te maken ging me veel te ver.
Het zou sowieso wel een aantal dagen aanwezig blijven, maar ondanks mijn goede voornemen raakte het onbewust steeds verder van mij verwijderd. Daardoor werd het steeds weer een beetje ‘besmet’.
Toch probeerde ik het steeds weer dichterbij te halen, maar op een dag werd onze band in één keer doorgesneden.
Een ander in het huishouden van mijn moeder greep het vast en smeerde zijn vingers eraan af.
Ik wist meteen dat ik het daarom níet meer zou aanraken.
Gelukkig had mijn moeder nog een schone.
En was het voor mij al een hele kleine overwinning dat ik in ieder geval een páár dagen achter elkaar hetzelfde servet had gebruikt.
Reactie plaatsen
Reacties