Ik zit op de bank bij mijn moeder en kijk naar de televisie, zoals ik dat zo vaak doe. Vaker dan in mijn eigen woning.
Op de plek waar ik eigenlijk altijd televisie kijk als ik bij mijn moeder ben.
Afwisselend met mijn benen opgekruld of met mijn voeten op de grond en over elkaar, zoals mijn moeder ook vaak zit.
Maar dit keer voelt het anders. Alsof er steeds iemand over mijn schouder meekijkt. Of in mijn nek zit te hijgen.
Alsof iemand in de gaten houdt wat ik doe.
Iemand die zelf geen televisie kijkt maar kijkt naar hoe ik reageer op de beelden die ik zie.
Iemand die in eerste instantie niet opvalt in huis, wanneer het buiten donker wordt en binnen de schemerlampjes aan moeten worden gedaan.
Iemand die er misschien eerder ook al was en dat niet zo liet merken, maar die – hoe langer hij zich in het huis bevindt – heel stiekem steeds meer aandacht probeert te trekken.
Die steeds wat dichter bij mij lijkt te komen maar onbeweegbaar lijkt als ik omkijk.
Die soms, heel zachtjes, iets van zich laat horen.
Terwijl ik wat anders ga zitten, voel ik iets.
Het is iets kouds, iets glads. Ik voel me er een beetje vies door.
Mijn moeder brengt thee met iets lekkers erbij en als ik dat wil pakken…
Slaat hij toe.
In een vlaag van onoplettendheid lijkt het of hij mij een tik op mijn hand geeft.
Maar in werkelijkheid lette ik zelf gewoon niet goed op.
Doordat hij leeft en ‘meebeweegt’ met het licht én doordat hij bladeren heeft die alle kanten opgroeien, staat de grote plant bij mijn moeder steeds iets anders.
En kan het zijn dat je hem aanraakt omdat hij bijvoorbeeld opeens gedraaid is of wat dichterbij je kopje thee staat.
Gelukkig is het dus maar een plant die over mijn schouder meekijkt. Ook al hoeft het van mij niet zo dichtbij, hij brengt tenminste wat ‘leven in de brouwerij’.
Reactie plaatsen
Reacties