Als 's ochtends de wekker gaat, begint de spanning al op te lopen. Zo stil mogelijk loop ik richting de badkamer, knip ik zo zacht mogelijk het licht aan en realiseer me dan...
Dat al die stilte niet veel zin heeft als ik wat later toch weer tig keer mijn handen ga wassen.
Maar ik realiseer me ook dat dat niet zo veel lawaai maakt dat het buiten gehoord kan worden.
Eenmaal in de woonkamer gearriveerd moet een deel van de gordijnen dicht. Dan kan ik me daar achter verschuilen.
Is het nog donker, dan gaan er zo min mogelijk lichten aan die zo snel mogelijk ook weer uit gaan.
Al lijkt dat al aardig spannend, dat is niet de grootste hindernis op zo'n werkdag.
Die komt pas als ik bijna op het punt sta om te vertrekken.
Stil wordt mijn fiets dan uit de schuur gehaald en worden mijn spullen in mijn fietstassen gedaan.
Ik trek mijn jas en schoenen aan, neem een paar slokken water en stap bijna geruisloos op mijn fiets.
Het hek zacht sluitend achter me en met mijn hand voor de koplamp van mijn fiets om nergens een teken van vertrek te laten merken.
Eenmaal op weg fiets ik het eerste deel zo snel mogelijk en probeer ik zoveel mogelijk mensen zogenaamd niet te zien, in de hoop dat ik hen niet op zou vallen.
Na een paar honderden meters sla ik dan af en word ik weer wat rustiger. Dan zit ik weer op de 'goede weg' en ben ik voor mijn gevoel weer legaal.
De hele dag doe ik dan verder of er niks aan de hand is en ik fris en fruitig vanuit mijn eigen woning naar mijn werk ben gegaan.
Tot mijn werkdag er weer op zit.
Fiets ik dan eerst nog rustig, tegen de tijd dat ik de wijk inrijd, word ik weer wat zenuwachtig.
Ik kijk bij huizen naar binnen en scan opritten, en zie ik iemand die ik denk te kennen, dan sla ik zo snel mogelijk een andere straat in.
Of ik zeg desnoods gedag alsof ik daar gewoon toevallig fiets en daarna nog een heel stuk verder moet.
Weer op mijn plaats van bestemming zet ik mijn fiets zo snel en zo stil mogelijk in de schuur en spoed ik me naar binnen.
Pas als de achterdeur dicht is, keert bij mij de rust weer terug.
Ik begroet mijn moeder en kan mijn verhaal bij haar kwijt en huilen als ik het even niet meer zie zitten.
En ook al voel ik me dan vaak stom dat ik zo vaak bij mijn moeder logeer - ondanks dat ik een hele mooie eigen woning heb waar ik heel blij mee ben -, al gauw voel ik me dan ook bevoorrecht dat ik die mogelijkheid heb als ik me wat minder goed voel. Én omdat mijn moeder zegt dat ze het, ondanks alles, altijd gezellig vindt als ik er weer ben.
Zo geeft ze me voor een verblijf bij haar weer even een ‘verblijfsvergunning’.
Reactie plaatsen
Reacties